Drank- en Horecawet

Wet van 7 oktober 1964, tot regeling
van de uitoefening van de bedrijven en de werkzaamheid, waarin of in het kader
waarvan alcoholhoudende drank wordt verstrekt

Wij JULIANA, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is de Drankwet (Stb. 1931, 476) en de voor de
horecabedrijven en het slijtersbedrijf geldende vestigingsregelingen te vervangen
door een nieuwe wet, welke ten aanzien van het verstrekken van alcoholhoudende
drank zowel uit sociaal-hygiënisch als uit sociaal-economisch oogpunt regelen
stelt;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

1.   Voor de toepassing
van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

– Onze Minister: Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

– horecabedrijf: de
activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet
verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

– slijtersbedrijf: de
activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan
particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse,
al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan
particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor
gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen;

– lokaliteit: een
besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;

– horecalokaliteit:
een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van
een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval
bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter
plaatse;

– slijtlokaliteit:
een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van
of samenvallend met een inrichting waarin het slijtersbedrijf wordt
uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van sterke drank voor
gebruik elders dan ter plaatse;

– inrichting: de
lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend,
met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval
bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter
plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere
besloten ruimte;

– leidinggevende:

1°.  de natuurlijke persoon of de bestuurders van
een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico het
horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend;

2°.  de natuurlijke persoon, die algemene leiding
geeft aan een onderneming, waarin het horecabedrijf of het slijtersbedrijf
wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen;

3°.  de natuurlijke persoon, die onmiddellijke
leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting;

 

– wijn: de
categorieën alcoholhoudende dranken als opgesomd in Bijlage IV van Verordening
(EG) 479/2008;

– sterke drank: de
drank, die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor vijftien of meer
volumenprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van wijn;

– alcoholhoudende
drank: de drank die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor meer
dan een half volumeprocent uit alcohol bestaat;


zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering van sterke
drank;

– paracommerciële
rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast
activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke
of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een
horecabedrijf;

– barvrijwilliger: de
natuurlijke persoon die, niet in dienstverband, alcoholhoudende drank verstrekt
in een horecalokaliteit in beheer bij een paracommerciële rechtspersoon;

– bezoeker: een ieder die zich in een
inrichting bevindt, met uitzondering van:

1°.  leidinggevenden;

2°.  personen die dienst doen in de inrichting;

3°.  personen wier aanwezigheid in de inrichting
wegens dringende redenen noodzakelijk is;

 

– vergunninghouder:
de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, bedoeld in
artikel 3, is verleend;

bijlage: bijlage bedoeld in artikel
44b, eerste lid.

2.   Onder een inrichting
wordt niet verstaan een vervoermiddel voor het rondtrekkend uitoefenen van een
bedrijf.

3.   Deze wet is, met
uitzondering van de artikelen 20, 21 en 24, derde lid, niet van toepassing op:

a.   vervoermiddelen die bestemd zijn voor het
vervoer van personen, tijdens hun gebruik als zodanig;

b.   legerplaatsen en lokaliteiten, aan het
militair gezag onderworpen, gedurende de tijd dat deze uitsluitend voor
militaire doeleinden worden gebruikt;

c.   op luchtvaartterreinen opengesteld voor
verkeer van en naar landen buiten de Europese Unie gelegen winkels in het
gebied dat uitsluitend toegankelijk is voor personen die in het bezit zijn van
een geldig reisbiljet of een daartoe afgegeven persoonsgebonden kaart.

 

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

1.   Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen in het belang van de volksgezondheid regels worden
gesteld met betrekking tot de inhoud van reclame voor alcoholhoudende drank, de
doelgroepen waarop zodanige reclame is gericht, alsmede de tijd en wijze waarop
en de plaats waar reclame wordt gemaakt. Deze regels kunnen verboden,
beperkingen van en voorschriften ten aanzien van reclameuitingen bevatten. In
de maatregel wordt een overgangsregeling getroffen ten aanzien van
reclameuitingen die reeds waren geopenbaard op het tijdstip van
inwerkingtreding van die maatregel.

2.   Het is verboden voor
alcoholhoudende drank reclame te maken, welke niet voldoet aan de krachtens het
eerste lid gestelde regels.

3.   Het in het tweede lid
genoemde verbod geldt niet ten aanzien van reclameuitingen voor alcoholhoudende
drank, waarin met betrekking tot die drank slechts aanduidingen voorkomen
betreffende merk, soort en prijs alsmede de plaats waar die drank wordt
verstrekt.

4.   Een krachtens het
eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij
is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide
kamers der Staten-Generaal.

Artikel 3

1.   Het is verboden
zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of
slijtersbedrijf uit te oefenen.

2.   Met toepassing van
artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag
van een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3a

[Vervallen per 01-11-2000]

Artikel 3b

[Vervallen per 01-11-2000]

Artikel 3c

[Vervallen per 01-11-2000]

Artikel 4

1.   Bij gemeentelijke
verordening worden ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels gesteld
waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben bij de
verstrekking van alcoholhoudende drank.

2.   Bij zodanige
verordening is het de gemeente toegestaan rekening te houden met de aard van de
paracommerciële rechtspersoon.

3.   De in het eerste lid
bedoelde regels hebben in elk geval betrekking op de volgende onderwerpen:

a.   de tijden gedurende welke in de betrokken
inrichting alcoholhoudende drank mag worden verstrekt;

b.   in de inrichting te houden bijeenkomsten van
persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen;

c.   in de inrichting te houden bijeenkomsten die
gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van
de betreffende rechtspersoon betrokken zijn.

 

4.   De burgemeester kan
met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard voor een
aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen ontheffing verlenen van de
bij of krachtens dit artikel gestelde regels.

5.   De ontheffing, of een
afschrift daarvan, is in de inrichting aanwezig.

6.   Met toepassing van
artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag
om een ontheffing als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 5

[Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 5a

[Vervallen per 01-11-2000]

Artikel 6

Op de voorbereiding van een beslissing
tot verlening van een vergunning op grond van artikel 3 voor het horecabedrijf
aan een paracommerciële rechtspersoon is afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing.

Artikel 7

1.   Een vergunning is
vereist voor iedere inrichting.

2.   Geen vergunning wordt
verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf of slijtersbedrijf anders
dan in een inrichting.

3.   Indien een terras
onderdeel is van een inrichting, die onderdeel uitmaakt van een winkel wordt
slechts een vergunning ten aanzien van het terras verleend, indien dit
onmiddellijk aansluit aan een horecalokaliteit. Voor de overige terrassen wordt
slechts vergunning verleend, indien zij in de onmiddellijke nabijheid van een
horecalokaliteit zijn gelegen.

Artikel 8

1.   Leidinggevenden van
het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen:

a.   zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;

b.   zij zijn niet in enig opzicht van slecht
levensgedrag;

c.   zij mogen niet onder curatele staan.

 

2.   Bij algemene maatregel
van bestuur worden naast de in het eerste lid gestelde eisen andere eisen ten
aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat
lid, onder b, gestelde eis nader worden omschreven.

3.   Leidinggevenden
beschikken tevens over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale
hygiëne, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.

4.   De in het derde lid
gestelde eis geldt niet voor leidinggevenden voor wier rekening en risico het
horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, indien die
leidinggevenden geen bemoeienis hebben met de bedrijfsvoering of de exploitatie
van het horecabedrijf of het slijtersbedrijf waarvoor vergunning wordt gevraagd
of is verkregen en de vergunninghouder dit in een schriftelijke verklaring
bevestigt.

5.   Bij regeling van Onze
Minister worden de bewijsstukken aangewezen waaruit moet blijken dat is voldaan
aan de eisen, bedoeld in het derde lid. Van deze bewijsstukken wordt door een
door Onze Minister aan te wijzen instantie een register bijgehouden. Dit
register kan worden geraadpleegd door:

a.   de burgemeester, bij het verlenen van een
vergunning op grond van artikel 3, bij het verlenen van een ontheffing op grond
van artikel 35 en bij een melding als bedoeld in artikel 30a;

b.   de ambtenaren die zijn belast met het
toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

 

6.   Indien een
paracommerciële rechtspersoon het horecabedrijf uitoefent, voldoen ten minste
twee leidinggevenden aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen.

Artikel 9

1.   Het bestuur van een
paracommerciële rechtspersoon stelt voor het verkrijgen van een vergunning tot
uitoefening van het horecabedrijf een reglement vast dat waarborgt dat de
verstrekking van alcoholhoudende drank in de inrichting vanuit het oogpunt van
sociale hygiëne op verantwoorde wijze geschiedt.

2.   In het reglement
wordt vastgelegd:

a.   welke kwalificatienormen worden gesteld aan
de voorlichtingsinstructie op het gebied van sociale hygiëne die
barvrijwilligers krijgen om te kunnen voldoen aan de eis gesteld in artikel 24,
tweede lid onder c;

b.   de wijze waarop door of namens het bestuur
wordt toegezien op de naleving van het reglement.

 

3.   De paracommerciële
rechtspersoon houdt een registratie bij van de barvrijwilligers die de in het
tweede lid bedoelde voorlichtingsinstructie hebben gekregen. Deze registratie
of een afschrift daarvan is in de inrichting aanwezig.

4.   Het reglement of een
afschrift daarvan, is in de inrichting aanwezig.

5.   Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de inhoud van het reglement.

Artikel 10

De inrichting dient te voldoen aan bij
algemene maatregel van bestuur in het belang van de sociale hygiëne te stellen
eisen.

Artikel 11

Een krachtens artikel 3 verleende
vergunning geldt ten aanzien van het verstrekken van alcoholhoudende drank niet
voor andere gedeelten van de openbare weg dan die, waar dat verstrekken door de
burgemeester uitdrukkelijk is toegestaan.

Artikel 11a

[Vervallen per 01-11-2000]

§ 3. Bijzondere bepalingen

Artikel 12

1.   Het is verboden
alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse anders dan in een
in de vergunning vermelde horecalokaliteit of anders dan op een in de
vergunning vermeld terras, tenzij het betreft het vanuit zodanige lokaliteit
afleveren van alcoholhoudende drank op bestelling in hotelkamers ingericht voor
nachtverblijf of het verstrekken van alcoholhoudende drank door het in
dergelijke hotelkamers beschikbaar te stellen.

2.   Het is verboden
sterke drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse anders dan in
een slijtlokaliteit die in de vergunning is vermeld.

Artikel 13

1.   Het is verboden in
een horecalokaliteit of op een terras alcoholhoudende drank te verstrekken voor
gebruik elders dan ter plaatse.

2.   Het is verboden in
een slijtlokaliteit alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter
plaatse, tenzij het betreft verstrekking om niet door een persoon die in die
slijtlokaliteit dienst pleegt te doen en die verstrekking tot doel heeft een
klant die daarom verzoekt een alcoholhoudende drank die in dat slijtersbedrijf
verkrijgbaar is te laten proeven.

Artikel 14

1.   Het is verboden een
slijtlokaliteit gelijktijdig in gebruik te hebben voor het verrichten van
andere bedrijfsactiviteiten dan die welke tot het slijtersbedrijf behoren dan
wel toe te laten dat daarin zodanige activiteiten worden uitgeoefend.

2.   Het is verboden een
horecalokaliteit of een terras tevens in gebruik te hebben voor het uitoefenen
van de kleinhandel of zelfbedieningsgroothandel of het uitoefenen van een van
de in het derde lid genoemde activiteiten, dan wel toe te laten dat daarin
zodanige handel wordt of zodanige activiteiten worden uitgeoefend, tenzij het
betreft de verkoop van etenswaren die voor consumptie gereed zijn.

3.   De in het tweede lid
bedoelde activiteiten zijn:

a.   het bedrijfsmatig aan particulieren verkopen
van goederen in het kader van een openbare verkoping, als bedoeld in artikel 1
van de Wet ambtelijk toezicht bij openbare verkopingen;

b.   het bedrijfsmatig aanbieden van diensten,
uitgezonderd diensten van recreatieve en culturele aard;

c.   het bedrijfsmatig verhuren van goederen;

d.   het in het openbaar bedrijfsmatig opkopen van
goederen.

 

4.   Onder diensten van
recreatieve aard als bedoeld in het derde lid, onder b, wordt niet verstaan het
aanbieden van kansspelen, met uitzondering van het aanwezig hebben van
speelautomaten als bedoeld in Titel Va van de Wet op de kansspelen.

Artikel 15

1.   Het is verboden de
kleinhandel, met uitzondering van de kleinhandel in condooms en damesverband,
of de zelfbedieningsgroothandel of een in artikel 14, derde lid, genoemde activiteit,
uit te oefenen in een lokaliteit behorende tot een inrichting waarin het
horecabedrijf wordt uitgeoefend, indien het publiek uitsluitend toegang heeft
tot die lokaliteit door een lokaliteit te betreden waar alcoholhoudende drank
aanwezig is.

2.   Het is verboden dat
een slijtlokaliteit in verbinding staat met een ruimte waarin de kleinhandel of
zelfbedieningsgroothandel of enige in artikel 14, derde lid, genoemde
activiteit wordt uitgeoefend, tenzij is voldaan aan bij algemene maatregel van
bestuur te stellen voorschriften.

Artikel 15a

[Vervallen per 01-11-2000]

Artikel 16

Het is degene, die bedrijfsmatig of
anders dan om niet alcoholhoudende drank verstrekt, verboden daartoe automaten,
waaruit de afnemers zelfstandig zodanige drank kunnen betrekken aanwezig te
hebben, tenzij deze zich bevinden in hotelkamers, ingericht voor nachtverblijf,
welke deel uitmaken van een inrichting waarin het horecabedrijf rechtmatig
wordt uitgeoefend.

Artikel 17

Het is verboden bedrijfsmatig of
anders dan om niet alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse
aan particulieren te verstrekken of af te leveren anders dan in een gesloten
verpakking, die niet zonder kenbare beschadiging kan worden geopend.

Artikel 17a

[Vervallen per 01-11-2000]

Artikel 18

1.   Het is verboden in de
uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende
drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken.

2.   Het in het eerste lid
vervatte verbod geldt niet ten aanzien van het verstrekken in:

a.   een winkel waarin in overwegende mate
levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen of uitsluitend
zwak-alcoholhoudende dranken al dan niet tezamen met alcoholvrije dranken
worden verkocht;

b.   een warenhuis met een levensmiddelenafdeling
met een vloeroppervlakte van ten minste 15 m² waarop een gevarieerd assortiment
aan verpakte en onverpakte eetwaren wordt verkocht;

c.   een voor het publiek toegankelijke besloten
ruimte waarin hoofdzakelijk gerede eetwaren voor gebruik ter plaatse en elders
dan ter plaatse plegen te worden verkocht, niet zijnde een horecalokaliteit.

 

3.   Zwak-alcoholhoudende
dranken zijn in de gevallen bedoeld in het tweede lid, zodanig in de besloten
ruimte geplaatst, dat deze dranken voor het publiek duidelijk te onderscheiden
zijn van alcoholvrije dranken. Alcoholvrije alternatieven voor bier en wijn
behoeven niet te worden onderscheiden van zwak-alcoholhoudende dranken.

Artikel 19

1.   Het is verboden,
anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of van het
partijen-cateringbedrijf gelegenheid te bieden tot het doen van bestellingen
voor sterke drank en sterke drank op bestelling af te leveren of te doen
afleveren aan huizen van particulieren. Onder partijen-catering wordt verstaan
het, gepaard gaande met dienstverlening, bedrijfsmatig verstrekken van
gerechten en dranken voor gebruik bij besloten partijen op een door een
opdrachtgever te bepalen plaats, die slechts incidenteel beschikbaar is voor
dergelijke partijen.

2.   Het is verboden
gelegenheid te bieden tot het doen van bestellingen voor zwak-alcoholhoudende
drank en zwak-alcoholhoudende drank op bestelling af te leveren of te doen
afleveren aan huizen van particulieren, anders dan vanuit:

a.   een niet voor publiek toegankelijke besloten
ruimte, waarin overeenkomstige bestellingen plegen te worden aanvaard, niet
zijnde een horecalokaliteit;

b.   een ruimte als bedoeld in artikel 18, tweede
lid;

c.   een inrichting waarin het slijtersbedrijf
wordt uitgeoefend.

 

Artikel 19a

1.   De burgemeester kan
de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een bedrijf exploiteert als
bedoeld in artikel 18, tweede lid, of artikel 19, tweede lid, onder a, en die
in een periode van 12 maanden drie maal artikel 20, eerste lid, heeft
overtreden, de bevoegdheid ontzeggen zwak-alcoholhoudende drank te verkopen
vanaf de locatie waar bedoeld gedrag heeft plaatsgevonden.

2.   De ontzegging wordt
opgelegd voor ten minste een week en ten hoogste 12 weken.

3.   De burgemeester is
bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van een
krachtens dit artikel opgelegde ontzegging.


Artikel 20

1.   Het is verboden
bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken aan
een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft
bereikt. Onder verstrekken als bedoeld in de eerste volzin wordt eveneens
begrepen het verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie is
vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, welke drank echter
kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de
leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

2.   Het is verboden in
een slijtlokaliteit de aanwezigheid toe te laten van een bezoeker van wie niet
is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, anders dan onder
toezicht van een persoon van 21 jaar of ouder.

3.   De vaststelling,
bedoeld in het eerste en tweede lid:

a.   geschiedt aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht, dan wel
op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen andere wijze;

b.   blijft achterwege, indien het een persoon
betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt.

 

4.   Bij de voor het
publiek bestemde toegang tot een horecalokaliteit, een slijtlokaliteit, een
ruimte als bedoeld in artikel 18, tweede lid, of een vervoermiddel waarin
bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt,
dient duidelijk zichtbaar en goed leesbaar te worden aangegeven welke
leeftijdsgrens of leeftijdsgrenzen gelden. Bij regeling van Onze Minister
kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld of modellen worden vastgesteld.

5.   Het is verboden in
een slijtlokaliteit of horecalokaliteit of op een terras de aanwezigheid toe te
laten van een persoon die in kennelijke staat van dronkenschap of kennelijk
onder invloed van andere psychotrope stoffen verkeert.

6.   Het is verboden in
kennelijke staat van dronkenschap of kennelijk onder invloed van andere
psychotrope stoffen dienst te doen in een slijtlokaliteit of horecalokaliteit.

Artikel 21

Het is verboden bedrijfsmatig of
anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken, indien redelijkerwijs
moet worden vermoed, dat dit tot verstoring van de openbare orde, veiligheid of
zedelijkheid zal leiden.

Artikel 22

1.   Het is verboden
bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken:

a.   op plaatsen waar brandstof voor middelen van
vervoer aan particulieren wordt verstrekt en in winkels die aan een
benzinestation zijn verbonden;

b.   in winkels die verbonden zijn aan een
inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend gelegen langs een
krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als autoweg aangeduide weg;

c.   in ruimten gelegen langs een krachtens de
Wegenverkeerswet 1994 als autosnelweg aangeduide weg, tenzij het betreft het
verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse in een
horecalokaliteit of op een in de onmiddellijke nabijheid van een
horecalokaliteit gelegen terras, en in die inrichting hoofdzakelijk warme maaltijden
voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt.

 

2.   Bij algemene
maatregel van bestuur kan het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken
van alcoholhoudende drank worden verboden:

a.   in stadions of bij die maatregel aangewezen
delen daarvan, in gebruik bij organisaties van betaald voetbal, gedurende de
tijd dat zij in verband met wedstrijden van betaald voetbal voor het publiek
geopend zijn;

b.   in gebouwen of in die maatregel aangewezen
delen daarvan, die in gebruik zijn bij instellingen op het terrein van de
gezondheidszorg en het onderwijs en in zwembaden.

 

3.   Een krachtens het
tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij
is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide
kamers der Staten-Generaal.

Artikel 23

[Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 24

1.   Het is verboden een
horecalokaliteit of een slijtlokaliteit voor het publiek geopend te houden
indien in de inrichting niet aanwezig is:

a.   een leidinggevende die vermeld staat op het
aanhangsel bij de vergunning, bedoeld in artikel 29, tweede lid, met betrekking
tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder of

b.   een persoon wiens bijschrijving op grond van
artikel 30a, eerste lid, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is
bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.

 

2.   In afwijking van het
eerste lid is het een paracommerciële rechtspersoon verboden een horecalokaliteit,
gedurende de tijd dat daar alcoholhoudende drank wordt verstrekt, geopend te
houden, indien in de inrichting niet aanwezig is:

a.   een leidinggevende die vermeld staat op het
aanhangsel bij de vergunning, bedoeld in artikel 29, tweede lid, met betrekking
tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder of

b.   een persoon wiens bijschrijving op grond van
artikel 30a, eerste lid, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is
bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist of

c.   een barvrijwilliger die een
voorlichtingsinstructie als bedoeld in artikel 9, tweede lid, heeft gekregen.

 

3.   Het is verboden in
een slijtlokaliteit of horecalokaliteit, gedurende de tijd dat daarin dranken
worden verstrekt, personen jonger dan 16 jaar dienst te laten doen.

4.   Indien dit voor de
naleving van artikel 20, eerste tot en met derde lid, noodzakelijk is, kan bij
algemene maatregel van bestuur de leeftijd, genoemd in het derde lid, op 18
jaar worden gesteld, met dien verstande dat zulks alsdan niet geldt voor
personen die alcoholhoudende drank verstrekken in het kader van een in de
maatregel aan te geven beroepsopleiding.

Artikel 25

1.   Het is degene die,
anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of
horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden:

a.   in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig
te hebben, tenzij dit geschiedt ten dienste van het rechtmatig in die ruimte
bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van
zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse, mits deze drank
zich bevindt in een verpakking die voldoet aan de bij artikel 17 gestelde eis;

b.   in de voor het publiek niet toegankelijke
delen van die ruimte alcoholhoudende drank in voorraad te hebben, tenzij het
betreft:

1°. het in voorraad hebben van zwak-alcoholhoudende
drank ten dienste van het in de rechtmatige uitoefening van een ander bedrijf
dan het slijtersbedrijf bedrijfsmatig aan particulieren verstrekken van deze
drank voor gebruik elders dan ter plaatse, mits deze drank zich bevindt in een
verpakking die voldoet aan de bij artikel 17 gestelde eis;

2°. het in voorraad hebben van alcoholhoudende
drank ten dienste van het uitoefenen van een bedrijf, waarin waren uit onder
meer alcoholhoudende drank plegen te worden vervaardigd.

 

2.   Het is degene die,
anders dan in de rechtmatige uitoefening van het horecabedrijf, een ruimte voor
publiek geopend houdt, verboden toe te laten dat in die ruimte alcoholhoudende
drank wordt genuttigd. Dit verbod geldt niet, indien er sprake is van de
uitzondering bedoeld in artikel 13, tweede lid.

3.   Het is degene die een
vervoermiddel gebruikt voor het rondtrekkend uitoefenen van de kleinhandel
verboden daarin, daarop of daaraan alcoholhoudende drank aanwezig te hebben,
tenzij het betreft een vervoermiddel dat wordt gebruikt voor:

a.   het rechtmatig aan particulieren afleveren
van alcoholhoudende drank op bestelling;

b.   het binnen het vervoermiddel verstrekken van
zwak-alcoholhoudende drank in het kader van het rondtrekkend uitoefenen van de
kleinhandel overwegend bestaand uit de handel in een gevarieerd assortiment
levensmiddelen en kruideniersartikelen.

 

§ 3a. Gemeentelijke verordenende
bevoegdheid

Artikel 25a

1.   Bij gemeentelijke
verordening kan het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van
alcoholhoudende drank in inrichtingen worden verboden of aan beperkingen worden
onderworpen.

2.   Bij zodanige
verordening kan worden bepaald dat:

a.   het verbod slechts geldt voor inrichtingen
van een bij die verordening aangewezen aard, in bij die verordening aangewezen
delen van de gemeente of voor een bij die verordening aangewezen tijdsruimte;

b.   de burgemeester volgens bij die verordening
te stellen regels voorschriften aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 kan
verbinden en de vergunning kan beperken tot het verstrekken van
zwak-alcoholhoudende drank.

 

Artikel 25b

1.   Bij gemeentelijke
verordening kan worden verboden dat in horecalokaliteiten en op terrassen
bezoekers worden toegelaten beneden een bij die verordening te bepalen leeftijd
welke echter niet hoger mag zijn dan 21 jaar.

2.   Bij zodanige verordening
kan worden bepaald dat:

a.   het verbod slechts geldt voor
horecalokaliteiten en terrassen van een bij die verordening aangewezen aard, in
bij die verordening aangewezen delen van de gemeente of voor een bij die
verordening aangewezen tijdsruimte;

b.   de leeftijd van degene die wenst te worden
toegelaten, wordt vastgesteld op de in artikel 20, derde lid, bedoelde wijze.

 

Artikel 25c

1.   Bij gemeentelijke
verordening kan het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van
zwak-alcoholhoudende drank in of vanuit locaties als bedoeld in artikel 18,
tweede lid, of artikel 19, tweede lid, onder a, worden verboden of aan
beperkingen worden onderworpen. Een dergelijk verbod of beperking heeft slechts
betrekking op een beperkte tijdsruimte.

2.   Bij zodanige
verordening kan worden bepaald dat het verbod slechts geldt in bij die
verordening aangewezen delen van de gemeente.

Artikel 25d

1.   Bij gemeentelijke
verordening kan het ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van
de openbare orde worden verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet
alcoholhoudende dranken:

a.   te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen
een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de
prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras
gewoonlijk wordt gevraagd;

b.   aan te bieden voor gebruik elders dan ter
plaatse tegen een prijs die voor een periode van één week of korter lager is
dan 70% van de prijs die in het betreffende verkooppunt gewoonlijk wordt
gevraagd.

 

2.   Bij zodanige
verordening kan worden bepaald dat het verbod slechts geldt voor aanbiedingen
en verstrekkingen van een bij die verordening aangewezen aard of in bij die
verordening aangewezen delen van de gemeente.

§ 4. Vergunningen

Artikel 26

1.   Een aanvraag om een
vergunning als bedoeld in artikel 3 wordt gesteld op een formulier of een
elektronische informatiedrager, die bij regeling van Onze Minister worden
vastgesteld.

2.   De gemeenteraad kan
bij verordening een formulier vaststellen met aanvullende vragen, voor zover
hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om:

a.   in een verordening op grond van artikel 4
rekening te houden met de aard van de paracommerciële rechtspersoon;

b.   aan een vergunning voorschriften of
beperkingen te verbinden op grond van artikel 25a;

c.   in een verordening op grond van artikel 25b
rekening te houden met de aard van de horecalokaliteiten of terrassen.

 

3.   Bij regeling van Onze
Minister kunnen ten aanzien van het formulier, bedoeld in het tweede lid,
nadere regels worden gesteld.

Artikel 27

1.   Een vergunning wordt
geweigerd indien:

a.   niet wordt voldaan aan de ingevolge de
artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen;

b.   redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de
feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal
zijn;

c.   artikel 7, tweede lid, artikel 31, vierde
lid, en artikel 32, tweede lid, zich tegen de verlening van de gevraagde
vergunning verzet;

d.   redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een
of meer van de bij of krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde
verboden zal worden overtreden of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de
vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.

 

2.   Een vergunning ten aanzien
van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid,
onder c, is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde
termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd.

3.   Een vergunning kan
worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van
de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

4.   Voordat toepassing
wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van
de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een
advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 28

Een vergunning wordt verleend, indien
geen der in artikel 27 bedoelde weigeringsgronden aanwezig is.

Artikel 29

1.   De burgemeester
vermeldt in een vergunning:

a.   de vergunninghouder;

b.   tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning
strekt;

c.   de plaats waar de inrichting zich bevindt;

d.   de situering en de oppervlakten van de
horeca- of slijtlokaliteiten en terrassen;

e.   de voorschiften of beperkingen welke aan de
vergunning zijn verbonden.

 

2.   De burgemeester
vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. Ten aanzien
van een leidinggevende bij wie sprake is van een situatie als bedoeld in
artikel 8, vierde lid, maakt de burgemeester daaromtrent een aantekening.

3.   De vergunning en het
daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende
gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, en
de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 30a, vierde lid, of een afschrift
daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.

4.   De vergunning en het
aanhangsel worden gesteld op een formulier dat bij regeling van Onze Minister
wordt vastgesteld.

Artikel 30

Indien een inrichting een zodanige
verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de
vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde
wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester
verstrekt, indien nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt
voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge artikel 29 vereiste
omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.

Artikel 30a

1.   Een vergunninghouder
meldt aan de burgemeester zijn wens:

a.   een persoon als leidinggevende te laten
bijschrijven;

b.   de aantekening door te laten halen dat een
leidinggevende geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie
van het horecabedrijf of slijtersbedrijf.

 

2.   Deze melding geldt
als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.

3.   De aanvraag wordt
gesteld op een formulier of een elektronische informatiedrager, die bij
regeling van Onze Minister worden vastgesteld.

4.   De burgemeester
bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.

5.   De burgemeester
weigert de wijziging van het aanhangsel:

a.   indien de persoon bedoeld in het eerste lid,
niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 8 gestelde eisen;

b.   in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld
in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
bestuur.

 

6.   Alvorens te beslissen
op een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel kan het Bureau bevordering
integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen, door het openbaar bestuur om een advies als bedoeld
in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 31

1.   Een vergunning wordt
door de burgemeester ingetrokken, indien:

a.   de te harer verkrijging verstrekte gegevens
zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing
zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden
volledig bekend waren geweest;

b.   niet langer wordt voldaan aan de bij of
krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen;

c.   zich in de betrokken inrichting feiten hebben
voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning
gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

d.   de vergunninghouder in de in de artikelen 30
en 30a, eerste lid, bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld
heeft gedaan.

 

2.   Een vergunning kan
door de burgemeester worden ingetrokken indien de vergunninghouder de bij of
krachtens deze wet gestelde regels, dan wel de aan een vergunning of ontheffing
verbonden voorschriften en beperkingen, niet nakomt.

3.   Een vergunning kan
voorts door de burgemeester worden ingetrokken, indien:

a.   er sprake is van het geval en onder de
voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat daaraan toepassing
wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als
bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd;

b.   een vergunninghouder in een periode van twee
jaar ten minste drie maal op grond van artikel 30a, eerste lid, om
bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft
verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste
driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 30a, vijfde lid.

 

4.   Indien een vergunning
is ingetrokken omdat is gehandeld in strijd met de voorschriften en beperkingen
verbonden aan de vergunning, bedoeld in artikel 4 of 25a, wordt de bevoegdheid
om aan de betrokken rechtspersoon een nieuwe vergunning te verlenen opgeschort
tot een jaar nadat het besluit tot intrekking onherroepelijk is geworden.

Artikel 32

1.   Een vergunning kan in
de gevallen bedoeld in artikel 31, tweede en derde lid, door de burgemeester
worden geschorst voor een periode van ten hoogste 12 weken.

2.   Tijdens de schorsing
verleent de burgemeester de vergunninghouder geen nieuwe vergunning op grond
van artikel 3.

Artikel 33

Een vergunning vervalt, wanneer:

a.   sedert haar verlening onherroepelijk is
geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met
gebruikmaking van de vergunning;

b.   gedurende een jaar anders dan wegens
overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

c.   de verlening van een vergunning, strekkende
tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

 

Artikel 34

Een faillissement of toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen heeft ten aanzien van het
krachtens artikel 31, eerste lid, onder d, of 33, onder b, intrekken of
vervallen van de vergunning een opschortende werking tot het tijdstip waarop
het faillissement onderscheidenlijk de toepassing van de
schuldsaneringsregeling eindigt.

§ 5. Ontheffing

Artikel 35

1.   De burgemeester kan
ten aanzien van het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank op aanvraag
ontheffing verlenen van het in artikel 3 voor de uitoefening van het
horecabedrijf gestelde verbod, bij een in de beschikking aangewezen bijzondere
gelegenheid van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten
hoogste twaalf dagen, mits de verstrekking geschiedt onder onmiddellijke
leiding van een persoon die:

a.   de leeftijd van eenentwintig jaar heeft
bereikt;

b.   niet in enig opzicht van slecht levensgedrag
is.

 

De naam van deze persoon staat op de
ontheffing vermeld.

2.   Een ontheffing kan
onder beperkingen worden verleend; aan een ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden.

3.   Ten aanzien van een
ontheffing is artikel 31, eerste lid, onder a en c, van overeenkomstige
toepassing.

4.   De ontheffing, of een
afschrift daarvan, is ter plaatse aanwezig.

5.   Een burgemeester kan
naar aanleiding van een aanvraag voor ontheffingen als bedoeld in dit artikel,
voor jaarlijks terugkerende identieke bijzondere gelegenheden van zeer
tijdelijke aard, besluiten één ontheffing te verlenen, mits de verstrekking van
zwak-alcoholhoudende drank telkenmale geschiedt onder onmiddellijke leiding van
dezelfde persoon.

6.   Met toepassing van
artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag
om een ontheffing als bedoeld in dit artikel.

§ 6. Overige bepalingen

Artikel 36

De burgemeester is bevoegd aan andere
personen dan hen, die wonen in de ruimte, waarin in strijd met deze wet
alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de toegang tot die ruimte te ontzeggen.

Artikel 37

[Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 38

Het is verboden ter zake van een
aanvraag om een vergunning of een ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens
te verstrekken.

Artikel 39

Indien in deze wet geregelde
onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van deze wet nadere regeling
behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 40

Voor zover in deze wet niet anders is
bepaald, kunnen ten aanzien van de onderwerpen, waarin zij voorziet, geen
provinciale of gemeentelijke verordeningen worden gemaakt.

§ 7. Toezicht

Artikel 41

1.   Met het toezicht op
de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast:

a.   in geheel Nederland: de bij besluit van Onze
Minister aangewezen ambtenaren.

b.   in een gemeente: de door de burgemeester van
die gemeente aangewezen ambtenaren.

 

2.   Bij regeling van Onze
Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie:

a.   wordt de taakverdeling tussen de ambtenaren,
behorende tot de onderscheidene in het eerste lid bedoelde categorieën
geregeld;

b.   kunnen aanstellings- en opleidingseisen voor
die ambtenaren worden gesteld.

 

Artikel 42

De in artikel 41 bedoelde ambtenaren
zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te
treden zonder toestemming van de bewoner, waar bedrijfsmatig of anders dan om
niet alcoholhoudende drank aan particulieren wordt verstrekt of waar naar hun
redelijk vermoeden zodanige verstrekking plaatsvindt.

Artikel 43

Van een besluit als bedoeld in artikel
41, eerste lid, onder a wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.

Artikel 43a

1.   De gemeenteraad stelt
uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van dit artikel voor de eerste maal
een preventie- en handhavingsplan alcohol vast. Vervolgens wordt dit plan elke
vier jaar gelijktijdig met de vaststelling van de lokale nota
gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet Publieke
Gezondheid, vastgesteld. Het plan kan tussentijds worden gewijzigd.

2.   Het plan bevat de
hoofdzaken van het beleid betreffende de preventie van alcoholgebruik, met name
onder jongeren, en de handhaving van de wet.

3.   In het plan wordt in
ieder geval aangegeven:

a.   wat de doelstellingen zijn van het preventie-
en handhavingsbeleid alcohol;

b.   welke acties worden ondernomen om
alcoholgebruik, met name onder jongeren, te voorkomen, al dan niet in samenhang
met andere preventieprogramma’s als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel
d, van de Wet Publieke Gezondheid;

c.   de wijze waarop het handhavingsbeleid wordt
uitgevoerd en welke handhavingsacties in de door het plan bestreken periode
worden ondernomen;

d.   welke resultaten in de door het plan
bestreken periode minimaal behaald dienen te worden.

 

Artikel 44

Onze Minister en de burgemeester zijn
bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij artikel
5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde verplichting.

§ 8. Bestuurlijke boete

Artikel 44a

1.   De burgemeester kan
een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding binnen zijn gemeente
van het bij of krachtens de artikelen 3, 4, 9, derde, vierde en vijfde lid, 12
tot en met 19, 20, eerste tot en met vierde lid, 22, eerste en tweede lid, 24,
25, behoudens het derde lid, 25a tot en met 25d, 29, derde lid, 35, tweede en
vierde lid, of 38 gestelde.

2.   De hoogte van de
bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met
dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom
ten hoogste € 100 000 bedraagt.

3.   Overtredingen kunnen,
in afwijking van het eerste lid, niet met een bestuurlijke boete worden
afgedaan, indien:

a.   de overtreding een direct gevaar voor de
gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft;

b.   de in de bijlage ter zake van de overtreding
voorziene bestuurlijke boete aanmerkelijk wordt overschreden door het met de
overtreding behaalde economisch voordeel; of

c.   door de burgemeester toepassing is gegeven
aan artikel 19a, eerste lid.

 

4.   De bevoegdheid tot
het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt, indien ter zake van de
overtreding op grond waarvan de bestuurlijke boete kan worden opgelegd door de
burgemeester aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan van het
voornemen de vergunning in te trekken.

5.   De boete komt toe aan
de gemeente, waar de overtreding heeft plaatsgevonden.

Artikel 44aa

1.   Onze Minister kan een
bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het gestelde bij of
krachtens:

a.   de artikelen 2 en 25, derde lid, waar ook te
lande gepleegd;

b.   de artikelen 20, eerste tot en met vierde
lid, en 24, derde lid, gepleegd in of op de in artikel 1, derde lid, onder a, b
en c, genoemde vervoermiddelen, legerplaatsen en lokaliteiten, die aan het
militair gezag onderworpen zijn, en op luchtvaartterreinen gelegen winkels.

 

2.   Artikel 44a, tweede
en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.   De boete komt toe aan
de staat.

Artikel 44b

1.   Bij algemene
maatregel van bestuur wordt een bijlage vastgesteld, die bij elke daarin
omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke
boete bepaalt.

2.   De voordracht voor
een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.

3.   Een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op
voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie.

Artikel 44c

[Vervallen per 01-07-2009]

Artikel 44d

[Vervallen per 01-07-2009]

Artikel 44e

[Vervallen per 01-07-2009]

Artikel 44f

[Vervallen per 01-07-2009]

Artikel 44g

[Vervallen per 01-07-2009]

Artikel 44h

[Vervallen per 01-07-2009]

Artikel 44i

[Vervallen per 01-07-2009]

§ 8a. Bepaling van strafrechtelijke
aard

Artikel 45

1.   Het is degenen die de
leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, met uitzondering van personen van
16 of 17 jaar die dienst doen in een inrichting waarin het horecabedrijf wordt
uitgeoefend, waaronder begrepen het zijn van barvrijwilliger in een inrichting
in beheer bij een paracommerciële rechtspersoon, verboden op voor het publiek
toegankelijke plaatsen alcoholhoudende drank aanwezig te hebben of voor
consumptie gereed te hebben, met uitzondering van plaatsen waar bedrijfsmatig
of anders dan om niet alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse
wordt verstrekt.

2.   Overtreding van het
eerste lid wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

3.   De in dit artikel
strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

§ 9. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 46

1.   Indien de tot een
inrichting behorende lokaliteiten die op 30 september 1967 in gebruik waren
voor de verstrekking van alcoholhoudende drank in de uitoefening van het
horecabedrijf of slijtersbedrijf, toen wel voldeden aan de ingevolge de
Drankwet (Stb. 1931, 476) met betrekking tot hun afmetingen geldende eisen maar
niet in overeenstemming zijn met de eisen, ter zake van de afmetingen van
lokaliteiten voor die uitoefening gesteld krachtens artikel 10 van de
onderhavige wet, worden zij nochtans geacht aan de ingevolge dat artikel voor
de uitoefening van dat bedrijf geldende afmetingseisen te voldoen.

2.   Het eerste lid geldt
niet:

a.   indien één of meer der in dat lid bedoelde
lokaliteiten van de inrichting inmiddels in enig opzicht zijn verkleind of een
verandering in hun bestemming hebben ondergaan;

b.   indien de uitoefening van het betrokken
bedrijf in de inrichting na 30 september 1967 gedurende een jaar anders dan
wegens overmacht ononderbroken gestaakt is geweest.

 

3.   Het tweede lid, onder
a, is niet van toepassing:

a.   met betrekking tot verkleiningen, strekkende
tot aanpassing van de inrichting aan ingevolge artikel 10 geldende, andere dan
de in het eerste lid bedoelde eisen;

b.   met betrekking tot wijzigingen ten aanzien
waarvan Onze Minister, van oordeel zijnde dat daartegen uit het oogpunt van
sociale hygiëne geen overwegende bezwaren bestaan, op aanvrage van de
ondernemer die bepaling buiten toepassing heeft verklaard.

 

4.   In een met toepassing
van het eerste lid verleende vergunning wordt mede vermeld op welke
lokaliteiten die toepassing betrekking heeft.

Artikel 47

1.   Het in artikel 13
gestelde verbod geldt tot een door Ons te bepalen tijdstip niet voor degene,
die op 30 september 1967 feitelijk alcoholhoudende drank voor gebruik ter
plaatse en sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse verstrekte in een
lokaliteit, waarvoor een op grond van de Drankwet (Stb. 1931, 476) verleende
volledige vergunning gold, voor zover het die lokaliteit betreft.

2.   Het in artikel 13
gestelde verbod geldt tot een door Ons te bepalen tijdstip voorts niet voor
degene, die in een lokaliteit, waarvoor een op grond van de Drankwet (Stb.
1931, 476) verleende vergunning of verleend verlof A gold, op 30 september 1967
feitelijk alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse verstrekte en tevens
bedrijfsmatig aan particulieren zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders
dan ter plaatse verstrekte, voor zover het betreft het gelijktijdig in gebruik hebben
van die lokaliteit voor het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholhoudende drank
voor gebruik ter plaatse en voor het bedrijfsmatig aan particulieren
verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse.

Artikel 48

Artikel 47 is van overeenkomstige
toepassing voor degene, die op 1 november 1967 feitelijk een horecabedrijf of
slijtersbedrijf uitoefende:

a.   met gebruikmaking van een op hem krachtens
artikel 29, eerste lid, van de Drankwet (Stb. 1931, 476) overgeschreven vergunning
of verlof A van een persoon, die dat bedrijf feitelijk uitoefende op 30
september 1967, of

b.   als rechtverkrijgende van een persoon als
onder a bedoeld diens bedrijf voortzettend krachtens de wet van 14 april 1960
(Stb. 155).

 

Artikel 48a

Op besluiten van Onze Minister die
genomen zijn vòòr 1 januari 2013 blijft het recht zoals dat gold tot die
datum van toepassing.

Artikel 49

Deze wet kan worden aangehaald als:
Drank- en Horecawet.

Lasten en bevelen,
dat deze in hetStaatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële
Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

 

 

Gegeven ten Paleize
Soestdijk, 7 oktober 1964

JULIANA.

 

De Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G. M. J. VELDKAMP.

 

De Staatssecretaris
van Economische Zaken
J. A. BAKKER.

 

De Minister van
Justitie,
Y. SCHOLTEN.

 

Uitgegeven
de dertigste oktober 1964.

 

De
Minister van Justitie,
Y. SCHOLTEN.